Home > Nederlands > Fatsoen moet je…afdwingen?

Fatsoen moet je…afdwingen?

March 9, 2012

Inleiding

Naar aanleiding van het Kinneging-Castricum fiasco had ik al wat dingen geschreven over geweld

Los van de misverstanden die bij sommige mensen blijkbaar ontstaan als het woord ‘geweld’ valt (wat mijn punt eigenlijk meer dan bewees) en waar ik nog wel eens op terug zal komen, kwam in de reacties ook een subdiscussie los over ‘fatsoen’. Aangezien dit onderwerp ook de lont in het Kinneging-Castricum kruitvat was, en mijn opvatting over geweldsgebruik gebaseerd is op wat ik als correctiemiddelen acceptabel acht in het afdwingen van fatsoenlijk gedrag, wil ik het nu eens hebben over fatsoen.

Definitie van fatsoen

Fatsoen is een lastig beest. Eén standaard definitie lijkt te zijn ‘goede manieren’. Dit dekt wat mij betreft de lading niet helemaal, en is in mijn ogen ook een hoofdreden waarom we tegenwoordig zo’n moeite hebben met fatsoen.

‘Goede manieren’ is een afgeleide van fatsoen. In mijn ogen is ‘fatsoen’ jezelf op een zodanige manier gedragen dat je zo min mogelijk last veroorzaakt voor je omgeving; en als je door je omgeving er op gewezen wordt dat ze last van je hebben jezelf corrigeren en je excuus aanbieden.

Onfatsoen is daaruit volgend dus gedrag waarmee je bewust overlast voor je omgeving bezorgt.

Het ‘bewust’ is belangrijk. Iedereen kan per ongeluk overlast veroorzaken, dat is normaal als je je in het openbaar begeeft. Fatsoen geeft je de handvatten om op te merken wanneer je ongewild overlast veroorzaakt en hoe daarmee om te gaan.

Als je van deze definitie uitgaat, dan begint de etiquette van dichtbevolkte gebieden langzaam aan logisch aan te voelen. Bijvoorbeeld de zware beleefdheidscodes van de Japanners zijn dan ineens niet meer iets intrinsieks aan de Japanse volksaard, maar een pragmatische aanpassing aan een land waar de leefbare ruimte beperkt is tot kleine strookjes land aan de kust.

De Nederlandse geschiedenis

In Nederland zijn door onder andere Amy Groskamp-ten Have de etiquette-regels van de burgerij en de hogere standen van de 19e eeuw tot standaard verheven.

Tegen deze standaard is met name in de jaren zestig een verzet gegroeid, dat gebaseerd was op de waarneming dat deze regels niet dienden om het onderling verkeer te versoepelen, maar als onderscheidingsmiddel tussen de klassen. De hogere klassen zetten de regels, en bepaalden dat zondigen tegen deze regels een indicator was van lagere klasse. Zie onder andere het volslagen irrationele verbod op de wens ‘Eet smakelijk’.

Dit verzet is niet nieuw, en ook niet typisch Nederlands. Ook in andere landen zien we dat de progressieve beweging, die afbraak van het klasseverschil voorstaat, zich vereenzelvigt met een afkeer van de etiqettenormen van de haute bourgeoisie. In Engeland bijvoorbeeld met een verzet tegen het opgelegde standaardaccent (Received Pronunciation), en een benadrukking van regionale accenten, zoals bijvoorbeeld zichtbaar in de werken van Thomas Hardy.

De jaren zestig waren een periode die van veel kwaads de schuld krijgt, maar een objectieve waarneming kan niet ontkennen dat het afbreken van de oude klassevormen één van de doelen van de progressieven van die tijd was. Eén van de dingen die er aan moest geloven was de van hogerhand opgelegde omgangsvormen, die gezien werden als een kneveling door de machthebbers en een middel om het klasseverschil in stand te houden.

De horkerigheid

Het nadeel is dat met het badwater het kind is weggegooid. Van ‘wie ben jij dat je jezelf beter acht dan ik’, een begrijpelijk sentiment tegen klassebewustzijn, zijn we verworden tot ‘ik bepaal zelf wel wat ik doe, en daar mag niemand wat van zeggen’.

Het moge duidelijk zijn dat de laatste houding niet bevorderlijk is voor een soepel omgaan met elkaar in situaties waar een beetje soepelheid in de omgang gevraagd wordt; en de Nederlandse cultuur was al niet doordesemd met uitgebreide beleefdheidsnormen.

In plaats daarvan hebben we nu een cultuur:

  • waar personeel in de winkel kort wordt afgeblaft met de wens van de klant, in plaats van gevraagd.
  • waar mensen het de normaalste zaak vinden om zonder rond te kijken zichzelf neer te plempen in de eerste treincoupé en hardop door te blijven kletsen.
  • waar mensen het de normaalste zaak van de wereld vinden om pal voor de deur te blijven staan na het instappen.
  • waar men probeert in te stappen in een voertuig voor de passagiers zijn uitgestapt.
  • waar men drie breed blijft lopen/fietsen en de hele doorgang verspert, zelfs als er tegemoetkomend verkeer is.
  • waar een bordje privé-parkeerterrein wordt genegeerd, zodat alle plaatsen vol zijn als de werknemers arriveren.
  • waar een significant deel van de bevolking het volkomen normaal vind dat een reporter agressief bij je aan de deur komt te staan en je overvalt met brutale vragen, waarop je vooral niet afwijzend mag reageren.

De reactie

Uiteraard is er altijd een reactie.

De luidst hoorbare is de reactionaire houding, zoals verkondigd door Kinneging en Tahir in hun oproep tot het weren van journalisten die niet voldoen aan een gedragscode van wat zij als fatsoen definiëren.

Dat zij Rutger Castricum als doelwit nemen, waarvan een groot deel het met hun eens zal zijn dat deze niks bijdraagt aan het politieke debat, neemt niet weg dat dit de oude houding van de haute bourgeoisie is die de proletariërs terug op hun plek wil zetten.

Deze woordkeuze is niet toevallig. Het hele pleidooi van Kinneging, en ook de manier waarop hij Rutger bejegende in het incident aan zijn voordeur, ademt een 19e-eeuwse opvatting over hoe men het niet moet wagen zich te bemoeien met zijn ‘beteren’.

Een groot deel van de reactionaire reactie is ook een pleidooi om de overheid in te zetten als middel om de normen van haute bourgeoisie met geweld op te leggen. Een collega van mij vatte het probleem dat onze buren onze parkeerplaats inpikten samen door te zeggen “het probleem is dat er te weinig handhaving is”. Als de lagere klassen hun plaats niet kennen, dan moet hen die met de wapenstok in de hand gewezen worden.

Dit zie je ook in de manier waarop de meeste reizigers reageren op iemand die door blijft kleppen in een stiltecoupé: “U mag hier niet hardop praten”. Ook hier weer de nadruk op het van bovenaf opgelegde gebod.

De reactionaire reactie is bij uitstek een autoritaire reactie. De reactionair verlangt terug naar de tijd dat het gezag duidelijk was, en in de meeste gevallen in de handen van zijn eigen klasse lag.

De andere reactie die we zien is de veel minder effectieve: het handenwringend om toch een beetje fatsoen bedelen. Het moge duidelijk zijn dat dit als wapen tegen hen die toch de fatsoensnorm al overboord gegooid hebben alleen maar hoongelach zal oproepen. Zie de manier waarop mensen als Bert Brussen het vrolijk over de ‘fatsoenskanker’ hebben.

En de laatste reactie is het impliciet erkennen van het onfatsoen als de norm:

  • Je hoeft toch niet open te doen als Castricum voor je deur staat?
  • Als je last hebt van mobiele bellers in de stiltecoupé, dan ga je toch ergens anders zitten?
  • “Ach, het zijn toch maar kinderen?”

Een pleidooi voor individuele handhaving

Als we er van uitgaan dat fatsoen dat gedrag is dat zoveel mogelijk beperkt dat anderen last van je hebben, dan is het duidelijk waar de verantwoordelijkheid voor de handhaving van fatsoen primair ligt: bij degene die de overlast ervaart.

Overlast hoeft niet bewust te zijn, zoals in de inleiding geschetst. Het is dan ook aan de partij die de overlast ervaart om er op te wijzen dat hij overlast ondervindt. Het probleem is niet zozeer dat bepaald gedrag niet mag, als wel dat bepaald gedrag stoort, maar dit moet wel aan de overlastgever kenbaar gemaakt worden.

Voor dit soort dingen is wat mij betreft een heel spectrum aan middelen beschikbaar, te beginnen met simpel te vragen of het gedrag kan stoppen aan hen die overduidelijk niet bewust in de fout gaan. De walkman die iets te hard staat, daar kunnen we van uit gaan dat het niet de bedoeling is om de rest van de omgeving te irriteren met half-begrijpelijke hoofdtelefoongeluiden (en mijn ervaring is dat zelfs de meest vervaarlijk uitziende luisteraar dit begrijpt als hem gevraagd wordt of het iets zachter kan).

En hier komen we bij mijn stukje over geweld: in enkele gevallen zal enige fysieke dwang toegepast moeten worden. Iemand die een overduidelijke norm als “laat de passagiers eerst uitstappen, anders komt de trein nooit leeg en lopen we allemaal vertraging op” negeert, daar is geen tijd voor om uitgebreid mee in discussie te gaan. Deze persoon terugduwen op het perron is echter officieel geweldpleging.

Iemand die niet alleen bewust over je persoonlijke grens heenstapt, maar zelfs aggressief in de aanval gaat, die kan wat mij betreft geen aanspraak maken op de steun van de overheid als hij met een blauw oog, een bloedneus, of in de plomp eindigt.

Als eerste zal echter de bovenstaand geschetste impliciete overgave aan het onfatsoen de deur uitmoeten. Het slachtoffer is niet de schuldige. Zolang we dit niet als samenleving als norm verwerpen, zal handhaving van de fatsoensregels altijd gebonden zijn aan diegenen die niet bang zijn; noch voor sociale afkeur, noch voor geweld.

Categories: Nederlands
%d bloggers like this: