“Net Neutraliteit voor Dummies (opnieuw)”

January 26, 2013 5 comments

Oh nee, niet weer

Net Neutraliteit (een letterlijke vertaling van het Amerikaanse begrip ‘Net Neutrality’) blijft de gemoederen bezig houden. Helaas begrijpt nog steeds niet iedereen wat het nou precies inhoudt.

Vorige keer dat ik dit onderwerp ter sprake bracht was het de Telegraaf Media Groep die beweerde dat het een pleidooi was om providers het recht te ontzeggen bandbreedtelimieten op te leggen.

Dit keer gaat Groen Links de fout in met hun analyse van een opinieartikel van Neelie Smit-Kroes in de Franse krant Libération.

Wat is Net Neutraliteit nou eigenlijk.

Persoonlijk begrijp ik niet waarom iedereen dit steeds fout heeft; Net Neutraliteit is helemaal niet moeilijk.

Net Neutraliteit houdt in dat jouw provider neutraal bemiddelt in het verkeer tussen jou en een derde partij op het Internet. De provider dient alle verzoeken die van hun klanten afkomen neutraal af te handelen, zonder discriminatie naar het eindpunt van de verbinding.

De discussie kwam in de VS op gang omdat een aantal mensen uit de providerwereld als proefballonnetje opgooiden dat sites die veel bezoekers trokken meer verkeer veroorzaakten op hun netwerk, en die sites daarom maar zouden moeten betalen of afgeknepen worden. Het is een lang technisch verhaal, maar operators van populaire sites betalen hun bandbreedte al, dus dit kwam neer op ‘Nice site you have there, shame if noone could visit it’.

Als je videos wilt bekijken van YouTube, dan mag je provider die niet afknijpen omdat YouTube een concurrent is (als je bijvoorbeeld je Internet afneemt bij UPC of Ziggo).

Als je Skype wil gebruiken, dan mag de provider dit niet afknijpen om tegelijkertijd een niet afgeknepen Voice over IP dienst aan je aan te bieden.

Wat wel mag, is dat de provider algemene verkeersmaatregelen neemt:

  • Het is volkomen toegestaan om een gebruiker af te knijpen als deze boven een vooraf afgesteld bandbreedteverbruik of totaalafname komt.
  • Het is ook toegestaan om een hele klasse verkeer prioriteit te geven of af te knijpen, bijvoorbeeld door alle VoIP (ongeacht aanbieder) voorrang te geven.

Het voorstel van Kroes en waarom Groen Links er naast zit

Wat Kroes voorstelt is dat het providers vrij zou moeten staan om beperkt Internettoegang aan klanten aan te bieden, als dienst op zich. Dus voor Oma, die alleen maar via Facebook met haar kleinkinderen in contact wil blijven een simpel pakket met beperkte bandbreedte en geen streaming video, bijvoorbeeld.

Er valt een hoop op Kroes’ voorstel aan te merken. Het aanbieden van een beperkte Internetdienst, zolang dit vooraf duidelijk aan de klant wordt aangegeven, en er alternatieve verbindingen zijn die wel een volledige (en dus neutrale!) dienstverlening bieden is echter geen inbreuk op de neutraliteit van het Internet; de beperkende factor is niet de afkomst van de data, maar de bereidheid van de klant om te betalen voor een betere verbinding. Kroes, met andere woorden, richt zich op de vraagzijde (de eindklant), de NN discussie richt zich juist op de aanbodzijde.

Wat wel een probleem is is dat er een sociale tweedeling ontstaat tussen zij die wel een volledige Internetdienstverlening kunnen betalen en tweederangsburgers met een beperkte verbinding. Dat een partij die zichzelf Groen Links noemt Kroes’ argumenten echter op zwakke technische gronden probeert te verwerpen in plaats van op de evidente gronden van sociale rechtvaardigheid verbaast mij dan ook ten zeerste.

Categories: Nederlands, Politiek

“Otis for the moans…”

August 29, 2012 Leave a comment

Halverwege de vijfde CD, we zijn dan al diep in de jaren 60, komt hij de speakers uitrollen: “These arms of mine…”. Op dat moment begrijp je waarom Roddy Doyle in The Commitments hem zo omschrijft; de melancholieke nasale stem van Otis Redding slaat je hersens over en gaat meteen van je oren naar koude rillingen op je rug.

In de tussentijd heb je al 4 CDs achter de rug, en diverse soul-klassiekers hebben de revue al gepasseerd. Twee versies van ‘Midnight Special’, ‘The Wheel of Fortune’, het vroege werk van Ray Charles dat als een brok levensvreugde de kamer inknalt, en The Drifters hebben hun aanval op het cynisme geopend in ‘Fools Fall In Love’.

En dan moeten de grote namen nog komen. De ruggen van de laatste 3 CDs lezen als een Who’s Who in de Soul: Otis Redding, Ray Charles, Wilson Pickett, en natuurlijk Aretha Franklin.

En daartussen allerlei kleine juweeltjes die je nooit op de radio hoort, zoals het kippevelverwekkende ‘Without Love’ van Clyde McPhatter; en op de eerste 3 CDs de vroege nummers die de grond leggen voor de hoogtijdagen van de Soul, de dagen voordat Motown zijn klauwen er inzette en het tot disco verwaterde.

Voor iedere liefhebber van goede popmuziek een aanrader, en voor soulliefhebbers een onmisbare collectie: Atlantic Rhythm And Blues 1947-1974, de geschiedenis van de Soul op het Atlantic label. 8 CDs, in dezelfde prachtige grote doos waar vroeger de LPs inzaten. Als je ‘m kunt krijgen, laat ‘m dan niet lopen.

Categories: Muziek

Naar de HEL met het harmoniemodel!

May 23, 2012 Leave a comment

Nadat Hassnae Bouazza half Nederland over zich heen kreeg omdat ze wat kriegel werd van een column die alle Marokkanen, haar incluis, verantwoordelijk hield voor de mogelijke wandaden van een 5-tal, ga ik ook maar eens een duit in het zakje doen.

Het grootste vergif in het dagelijkse discours is het harmoniemodel: de opvatting dat je je vooral niet boos mag maken, en vooral rustig in discussie moet gaan met iedereen, ongeacht of je gelijk hebt of niet.

Ik heb het nog niet eens over het overduidelijke sexisme dat deze eis aan vrouwen zwaarder wordt gesteld dan aan mannen. Het is de pest dat je in Nederland nooit ‘onzin’ mag roepen als iemand aperte onzin uitslaat. Integendeel, degene die onzin uitkraamt wordt met alle egards behandeld, en zelfs als hij (want 9 van de 10 keer inderdaad een man) zich onbehouwen uitlaat, wee je gebeente als je denkt hem met gelijke munt van repliek te dienen.

Of het nou een publiciste is die zich publiekelijk opwindt over luie generalisaties, of ikzelf die een collega uitfoetert omdat hij aperte onzin uitkraamt die mij een week extra werk kan bezorgen, altijd is er wel iemand die aan de zijlijn ‘tut-tut’ loopt te doen; zo’n zalvend type die dan gaat zeggen ‘je kan het toch ook op een positievere manier uiten?’.

Welnu, ik zeg ‘genoeg!’. Als iemand onzin uitkraamt, dan mag hem dat hard en duidelijk gezegd worden. Het gaat om de inhoud, en als de feiten aan je kant staan, dan hoort dat gerespecteerd te worden. Het harmoniemodel is een moderne vorm van appeasement die het debat cadeau geeft aan degenen met de grootste mond. Wie de slachtoffers probeert monddood te maken met zalvende gemeenplaatsen hoort net zo hard afgebrand te worden.

Categories: Nederlands, Politiek

Gekaapt door de zieligheidsindustrie

May 4, 2012 5 comments

Wat herdenken we eigenlijk

Officieel is de dodenherdenking duidelijk: alle slachtoffers van oorlogsgeweld. Vroeger was het specifieker, en herdachten we alleen de doden aan Nederlandse zijde in de Tweede Wereldoorlog.

Tegenwoordig hebben we het zover uitgebreid dat we bij wijze van spreken de kok die gisteren zijn teen stootte in Kunduz nog herdenken als slachtoffer.

Er is echter één uitzondering.

Ook Duitse slachtoffers?

Het relletje van dit jaar betreft het besluit van de gemeente Bronckhorst om ook tien gesneuvelde Duitsers mee te nemen in de herdenking. Nadat al eerder een beroerd ‘gedicht’ over een foute oudoom was gesneuveld bij de nationale herdenking, richt gans de aandacht zich nu op de schande in een Gelders dorpje.

Wehrmacht vs. SS

Wat in de pers nergens naar boven te halen valt zijn de omstandigheden waaronder deze Duitsers gesneuveld zijn. Sterker nog, of het om Wehrmacht of SS gaat wordt nergens gemeld.

Slechts de foto in de Stentor biedt uitkomst; het gaat om Wehrmacht en Luftwaffe personeel. Dit leidt tot een interessante vraag: zijn normale militairen die gesneuveld zijn in de normale uitoefening van hun taak geen herdenken waard omdat ze voor de aggressor streden?

Is, met andere woorden, de reden waarom iemand een oorlogsslachtoffer relevant voor de reden om te herdenken? De Wehrmacht had hier niks te zoeken, en ‘bevel is bevel’ is na de oorlog vastgesteld als geen goed excuus. Maakt het deze paar soldaten en onderofficieren daar echter minder slachtoffers van oorlogsgeweld van?

Hoe pertinent leggen we de grens tussen normaal mens en oorlogsmisdadiger? Een Waffen-SSer meldde zich vrijwillig uit ideologische overwegingen bij een misdadige organisatie aan, en die herdenken gaat mij een brug te ver om die reden, maar gewone soldaten omgekomen in normale krijgshandelingen? Ik zou het geen landelijke rel waard vinden, vooral gegeven de manier waarop we het slachtofferbegrip toch al opgerekt hebben.

Me dunkt dat een goede bezinning op het begrip slachtoffer op zijn plaats is. Dat wordt niet geholpen door hijgerige relletjes en de gebruikelijke beroepsslachtoffers.

De zieligheidsindustrie

Nadat er in de pers al wat over gevallen was moesten natuurlijk de professionele zieligerds zich roeren. Een kort geding werd aangespannen; de organisatoren eisen het slachtofferschap op namens de Holocaustslachtoffers.

Waar de rest van Nederland het slachtofferschap inmiddels tot het belachelijke heeft opgerekt, willen deze eeuwige zeikerds het juist verengen naar hun eigen parochiale kringetje. Niet tevreden met monumenten door het hele land en romanschrijfsters die geen boek kunnen afleveren zonder in het eerste kwart over de Holocaust te beginnen, nee, de rechter moet er aan te pas komen om de mensen in Bronckhorst even te vertellen wie ze wel en niet mogen herdenken.

Alleen al om dit soort zeikerige mensen zou ik de Dodenherdenking het liefst helemaal afschaffen.

Categories: Nederlands, Politiek

Fatsoen moet je…afdwingen?

March 9, 2012 Leave a comment

Inleiding

Naar aanleiding van het Kinneging-Castricum fiasco had ik al wat dingen geschreven over geweld

Los van de misverstanden die bij sommige mensen blijkbaar ontstaan als het woord ‘geweld’ valt (wat mijn punt eigenlijk meer dan bewees) en waar ik nog wel eens op terug zal komen, kwam in de reacties ook een subdiscussie los over ‘fatsoen’. Aangezien dit onderwerp ook de lont in het Kinneging-Castricum kruitvat was, en mijn opvatting over geweldsgebruik gebaseerd is op wat ik als correctiemiddelen acceptabel acht in het afdwingen van fatsoenlijk gedrag, wil ik het nu eens hebben over fatsoen.

Definitie van fatsoen

Fatsoen is een lastig beest. Eén standaard definitie lijkt te zijn ‘goede manieren’. Dit dekt wat mij betreft de lading niet helemaal, en is in mijn ogen ook een hoofdreden waarom we tegenwoordig zo’n moeite hebben met fatsoen.

‘Goede manieren’ is een afgeleide van fatsoen. In mijn ogen is ‘fatsoen’ jezelf op een zodanige manier gedragen dat je zo min mogelijk last veroorzaakt voor je omgeving; en als je door je omgeving er op gewezen wordt dat ze last van je hebben jezelf corrigeren en je excuus aanbieden.

Onfatsoen is daaruit volgend dus gedrag waarmee je bewust overlast voor je omgeving bezorgt.

Het ‘bewust’ is belangrijk. Iedereen kan per ongeluk overlast veroorzaken, dat is normaal als je je in het openbaar begeeft. Fatsoen geeft je de handvatten om op te merken wanneer je ongewild overlast veroorzaakt en hoe daarmee om te gaan.

Als je van deze definitie uitgaat, dan begint de etiquette van dichtbevolkte gebieden langzaam aan logisch aan te voelen. Bijvoorbeeld de zware beleefdheidscodes van de Japanners zijn dan ineens niet meer iets intrinsieks aan de Japanse volksaard, maar een pragmatische aanpassing aan een land waar de leefbare ruimte beperkt is tot kleine strookjes land aan de kust.

De Nederlandse geschiedenis

In Nederland zijn door onder andere Amy Groskamp-ten Have de etiquette-regels van de burgerij en de hogere standen van de 19e eeuw tot standaard verheven.

Tegen deze standaard is met name in de jaren zestig een verzet gegroeid, dat gebaseerd was op de waarneming dat deze regels niet dienden om het onderling verkeer te versoepelen, maar als onderscheidingsmiddel tussen de klassen. De hogere klassen zetten de regels, en bepaalden dat zondigen tegen deze regels een indicator was van lagere klasse. Zie onder andere het volslagen irrationele verbod op de wens ‘Eet smakelijk’.

Dit verzet is niet nieuw, en ook niet typisch Nederlands. Ook in andere landen zien we dat de progressieve beweging, die afbraak van het klasseverschil voorstaat, zich vereenzelvigt met een afkeer van de etiqettenormen van de haute bourgeoisie. In Engeland bijvoorbeeld met een verzet tegen het opgelegde standaardaccent (Received Pronunciation), en een benadrukking van regionale accenten, zoals bijvoorbeeld zichtbaar in de werken van Thomas Hardy.

De jaren zestig waren een periode die van veel kwaads de schuld krijgt, maar een objectieve waarneming kan niet ontkennen dat het afbreken van de oude klassevormen één van de doelen van de progressieven van die tijd was. Eén van de dingen die er aan moest geloven was de van hogerhand opgelegde omgangsvormen, die gezien werden als een kneveling door de machthebbers en een middel om het klasseverschil in stand te houden.

De horkerigheid

Het nadeel is dat met het badwater het kind is weggegooid. Van ‘wie ben jij dat je jezelf beter acht dan ik’, een begrijpelijk sentiment tegen klassebewustzijn, zijn we verworden tot ‘ik bepaal zelf wel wat ik doe, en daar mag niemand wat van zeggen’.

Het moge duidelijk zijn dat de laatste houding niet bevorderlijk is voor een soepel omgaan met elkaar in situaties waar een beetje soepelheid in de omgang gevraagd wordt; en de Nederlandse cultuur was al niet doordesemd met uitgebreide beleefdheidsnormen.

In plaats daarvan hebben we nu een cultuur:

  • waar personeel in de winkel kort wordt afgeblaft met de wens van de klant, in plaats van gevraagd.
  • waar mensen het de normaalste zaak vinden om zonder rond te kijken zichzelf neer te plempen in de eerste treincoupé en hardop door te blijven kletsen.
  • waar mensen het de normaalste zaak van de wereld vinden om pal voor de deur te blijven staan na het instappen.
  • waar men probeert in te stappen in een voertuig voor de passagiers zijn uitgestapt.
  • waar men drie breed blijft lopen/fietsen en de hele doorgang verspert, zelfs als er tegemoetkomend verkeer is.
  • waar een bordje privé-parkeerterrein wordt genegeerd, zodat alle plaatsen vol zijn als de werknemers arriveren.
  • waar een significant deel van de bevolking het volkomen normaal vind dat een reporter agressief bij je aan de deur komt te staan en je overvalt met brutale vragen, waarop je vooral niet afwijzend mag reageren.

De reactie

Uiteraard is er altijd een reactie.

De luidst hoorbare is de reactionaire houding, zoals verkondigd door Kinneging en Tahir in hun oproep tot het weren van journalisten die niet voldoen aan een gedragscode van wat zij als fatsoen definiëren.

Dat zij Rutger Castricum als doelwit nemen, waarvan een groot deel het met hun eens zal zijn dat deze niks bijdraagt aan het politieke debat, neemt niet weg dat dit de oude houding van de haute bourgeoisie is die de proletariërs terug op hun plek wil zetten.

Deze woordkeuze is niet toevallig. Het hele pleidooi van Kinneging, en ook de manier waarop hij Rutger bejegende in het incident aan zijn voordeur, ademt een 19e-eeuwse opvatting over hoe men het niet moet wagen zich te bemoeien met zijn ‘beteren’.

Een groot deel van de reactionaire reactie is ook een pleidooi om de overheid in te zetten als middel om de normen van haute bourgeoisie met geweld op te leggen. Een collega van mij vatte het probleem dat onze buren onze parkeerplaats inpikten samen door te zeggen “het probleem is dat er te weinig handhaving is”. Als de lagere klassen hun plaats niet kennen, dan moet hen die met de wapenstok in de hand gewezen worden.

Dit zie je ook in de manier waarop de meeste reizigers reageren op iemand die door blijft kleppen in een stiltecoupé: “U mag hier niet hardop praten”. Ook hier weer de nadruk op het van bovenaf opgelegde gebod.

De reactionaire reactie is bij uitstek een autoritaire reactie. De reactionair verlangt terug naar de tijd dat het gezag duidelijk was, en in de meeste gevallen in de handen van zijn eigen klasse lag.

De andere reactie die we zien is de veel minder effectieve: het handenwringend om toch een beetje fatsoen bedelen. Het moge duidelijk zijn dat dit als wapen tegen hen die toch de fatsoensnorm al overboord gegooid hebben alleen maar hoongelach zal oproepen. Zie de manier waarop mensen als Bert Brussen het vrolijk over de ‘fatsoenskanker’ hebben.

En de laatste reactie is het impliciet erkennen van het onfatsoen als de norm:

  • Je hoeft toch niet open te doen als Castricum voor je deur staat?
  • Als je last hebt van mobiele bellers in de stiltecoupé, dan ga je toch ergens anders zitten?
  • “Ach, het zijn toch maar kinderen?”

Een pleidooi voor individuele handhaving

Als we er van uitgaan dat fatsoen dat gedrag is dat zoveel mogelijk beperkt dat anderen last van je hebben, dan is het duidelijk waar de verantwoordelijkheid voor de handhaving van fatsoen primair ligt: bij degene die de overlast ervaart.

Overlast hoeft niet bewust te zijn, zoals in de inleiding geschetst. Het is dan ook aan de partij die de overlast ervaart om er op te wijzen dat hij overlast ondervindt. Het probleem is niet zozeer dat bepaald gedrag niet mag, als wel dat bepaald gedrag stoort, maar dit moet wel aan de overlastgever kenbaar gemaakt worden.

Voor dit soort dingen is wat mij betreft een heel spectrum aan middelen beschikbaar, te beginnen met simpel te vragen of het gedrag kan stoppen aan hen die overduidelijk niet bewust in de fout gaan. De walkman die iets te hard staat, daar kunnen we van uit gaan dat het niet de bedoeling is om de rest van de omgeving te irriteren met half-begrijpelijke hoofdtelefoongeluiden (en mijn ervaring is dat zelfs de meest vervaarlijk uitziende luisteraar dit begrijpt als hem gevraagd wordt of het iets zachter kan).

En hier komen we bij mijn stukje over geweld: in enkele gevallen zal enige fysieke dwang toegepast moeten worden. Iemand die een overduidelijke norm als “laat de passagiers eerst uitstappen, anders komt de trein nooit leeg en lopen we allemaal vertraging op” negeert, daar is geen tijd voor om uitgebreid mee in discussie te gaan. Deze persoon terugduwen op het perron is echter officieel geweldpleging.

Iemand die niet alleen bewust over je persoonlijke grens heenstapt, maar zelfs aggressief in de aanval gaat, die kan wat mij betreft geen aanspraak maken op de steun van de overheid als hij met een blauw oog, een bloedneus, of in de plomp eindigt.

Als eerste zal echter de bovenstaand geschetste impliciete overgave aan het onfatsoen de deur uitmoeten. Het slachtoffer is niet de schuldige. Zolang we dit niet als samenleving als norm verwerpen, zal handhaving van de fatsoensregels altijd gebonden zijn aan diegenen die niet bang zijn; noch voor sociale afkeur, noch voor geweld.

Categories: Nederlands

Zinvol geweld

March 1, 2012 8 comments

Inmiddels weet de rest van het Internet wel wat er gebeurd is met Rutger Castricum van Pownews: de deur gewezen door Andreas Kinneging. Volgens Rutger zelfs met geweld.

Nu wil ik het niet gaan hebben over wie er gelijk heeft in die kwestie, of wie het meest verdiend om aangepakt te worden. Dat is wat mij betreft een heilloze discussie; interessanter vind ik het om aan de hand van Rutger’s klacht eens hardop na te denken over de functie van geweld in het openbaar verkeer.

Het politiek correcte standpunt is natuurlijk dat geweld geen plaats heeft in het openbaar verkeer. We mogen geen eigen rechter spelen, en ook provocaties als die van Pownews kunnen afgedaan worden met ‘daar moet je boven staan, met geweld verlaag je alleen maar’. Iedereen die dan nog twijfelt wordt platgeslagen met de uitsmijter: ‘als geweld normaal is dan wint de sterkste, en we willen toch niet dat het recht van de sterkste geldt?’

Wat mij betreft hoort dit hele politiek correcte denken op de mestvaalt van de geschiedenis. Laat ik eens beginnen met het juridische aspect: de jurisprudentie in Nederland zegt dat je je met gepast geweld mag verdedigen tegen aanvallen op je have en goed. Iemand die op je portiek staat en na meerdere sommaties nog steeds niet vertrokken is, daarvan kan gesteld worden dat hij erfvredebreuk pleegt, en daar mag je je tegen verdedigen, ook met fysiek optreden. Ik denk dan ook niet dat Rutger echt aangifte heeft gedaan tegen Kinneging, want de combinatie van zijn gezuig en weigering te vertrekken maakt dat juist hij juridisch zwak staat, en met het geld van de TMG achter zich zal de advocaat van Pownews ook geen beginner zijn, en ook wel weten dat dit geen sterke zaak is.

Uiteraard is er meer dan alleen het legale aspect. Moreel gezien vind ik dat geweld zeker moet kunnen tegen iemand die zelf geweld tegen je begaat. En het gezuig van Castricum, zijn overvaltactieken met camera in de hoop een reactie los te krijgen, dat is geweld. Een stevige klap, of hardhandige verwijdering in een opbrenggreep, zijn wat mij betreft een proportioneel antwoord hierop.

Als we blanco zeggen dat iedereen dit soort verbale geweld maar over zich heen moet laten komen, juist dan laten we het recht van de sterkste regeren. Als een zuigend ettertje met de macht van de Telegraaf Media Groep achter zich kan doen en laten wat hij wil, en bij de minste represailles zijn virtuele megafoon kan gebruiken om oorverdovend huilie huilie te doen, is het recht op geweldsgebruik ontzeggen aan zijn tegenstanders dan nog echt serieus te bepleiten als bescherming tegen het recht van de sterkste? Integendeel, dat is de wet juist in dienst stellen van de ‘bullies’.

Mijn standpunt is vrij simpel: we moeten ophouden met te miepen over wat duw- en trekwerk, of wat blauwe plekken. Bij niet noemenswaardig lichamelijk letsel, en zeker in de aanwezigheid van een provocatie, horen we het geweld uit de juridische sfeer te halen en gewoon te accepteren als een normaal, zij het extreem, middel om de persoonlijke levenssfeer te verdedigen.

In de tussentijd blijf ik gewoon mensen terug het perron op duwen als ze in willen stappen voor ik de trein uit ben. En ik ga me absoluut niet schuldig voelen.

Categories: Nederlands, Politiek

Zeg me wie Uw tegenstanders zijn…

January 12, 2012 2 comments

…en weet waarom ik voor U moet zijn.

Bij veel onderwerpen is het niet de inhoud van de voorstanders die mij overhaalt, maar de irrationaliteit van de tegenstanders. Als het argument tegen een bepaalde positie niet berust op rationele afwegingen, maar op soms aggressief irrationele emoties, wat rest een rationeel mens dan nog dan partij te kiezen?

Als het om menselijke invloed gaat op klimaatverandering, dan is het de hypocrisie van de tegenstanders om elke koude winter als tegenbewijs op te voeren, maar hun mond te houden bij warme zomers; hun neiging tot aantoonbaar ‘cherrypicking’ om maar een neerwaardse trend aan te tonen, zoals het nemen van uitzonderlijk warm jaar 1998 als startpunt, of hun neiging om plotseling een argument te vergeten als het niet waar blijkt te zijn, zoals de zogenaamde invloed van de plaatsing van weerstations op de temperatuurmetingen (toen aangetoond werd dat zelfs de door Antony Watts aangewezen ‘goede’ stations dezelfde trend lieten zien als de ‘slechte’ stations, was het ineens stil rond dit argument).

De klapper kwam toen Richard Muller van de Universiteit van Californië, Berkeley, het onderzoek naar de weerstations nog eens overdeed. Leidende blogger onder de ‘sceptici’, Antony Watts, beloofde dat hij het resultaat van Muller als leidend zou aannemen. Toen Muller vaststelde dat ook zijn onderzoek dezelfde trend liet zien als de meerderheid van het gepubliceerde onderzoek, liet Antony Watts hem vallen als een baksteen.

Als het gaat om Schotse onafhankelijkheid, dan komt de Engelse pers niet verder dan emotionele argumenten om het Verenigd Koninkrijk verenigd te houden. Men doet alsof alle stemmers op de Scottish National Party zich laten informeren door de slag bij Bannockburn.

Natuurlijk zijn er altijd nationalistische Schotten te vinden die makkelijk leuzen roepen, maar als dit overduidelijk niet het standpunt is van de SNP, dan laat de Engelse pers weinig argumenten over om het hoofdargument voor Schotse onafhankelijkheid te verwerpen: namelijk het principe dat eenieder volk het recht heeft op zelfbeschikking. Erkennen dat het Verenigd Koninkrijk bestaat uit meerdere naties leidt automatisch tot de vraag waarom deze naties niet het recht op deze zelfbeschikking hebben.

Het lijkt er meer op dat de tegenstanders van Schotse onafhankelijkheid in een emotioneel argument uit het verleden zijn blijven hangen, en dus niet de moeite nemen om de rationele argumenten en de daadwerkelijke koers van de SNP aan een grondig onderzoek te onderwerpen. Met zulke tegenstand is het voor een buitenstaander al makkelijk om een standpunt in te nemen; laat staan voor de Schotten zelf.

En dichter bij huis is het duidelijk dat een partij die zich verlaagd tot goedkoop schelden en duidelijke weerstand tegen 500 jaar ontwikkeling in bescherming van de burger tegen overheidswillekeur (zoals een onafhankelijke rechtspraak) zich diskwalificeert als serieus te nemen democratische opponent.

Categories: Nederlands
Follow

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 52 other followers